kopaleida

charlotte mutsaers: aleida, een schot in de roos!

In het najaar van 1963 kwam ik als studente Nederlands aan in Amsterdam. Ik was erg gemotiveerd om aan de studie te beginnen. Op het gymnasium in Utrecht had ik uitstekende leraren Nederlands gehad: Guus Söteman, de oude Brandt Corstius en degeen die onder de naam Distelvink in mijn roman Rachels rokje opdraaft. Stuk voor stuk hadden zij mijn reeds bestaande liefde voor taal en literatuur zodanig aangewakkerd dat mijn studiekeuze al bij voorbaat vaststond.

Maar wat een teleurstelling! Het literatuuronderwijs aan de universiteit bestond toen nog voornamelijk uit het indelen van de literatuur in periodes en het uit het hoofd leren van de Knuvelder en de Schets der Nederlandse Letterkunde. Schoonheid, geloofwaardigheid en doeltreffendheid van teksten kwamen nauwelijks aan bod, engagement evenmin. Gedichten werden louter aan close reading onderworpen, ontroering telde niet en het vak romantheorie leek nog niet uitgevonden. Weliswaar kreeg ik enkele boeiende colleges taalkunde maar behalve door professor Hellinga werd er zelden op een interessante en bevlogen wijze over taal en literatuur gesproken. Daar kwam nog bij dat sommige van mijn medestudenten onmiskenbaar plat praatten zonder dat ze daar ooit door iemand op werden geattendeerd. Kortom, vergeleken met het niveau van mijn middelbare school werd ik gedwongen enkele fikse stappen terug te doen. Heel gezond maar wel de omgekeerde wereld. Na een paar maanden was ik er dan ook na aan toe om met de hele studie Nederlands te kappen. En dat zou ik ook zeker hebben gedaan als in het tweede semester de colleges taalbeheersing niet waren begonnen.

Taalbeheersing ! Alleen het woord al maakte me hondsnieuwsgierig. Mocht je immers niet verwachten dat iemands die voor de studie Nederlands gekozen had, althans de taal vast onder de knie had?

Ik herinner me nog goed het moment dat ik vol scepsis de collegezaal betrad. Daar zat een klein, al vrij oud maar zeer goed verzorgd dametje aan een tafel die eigenlijk te groot voor haar was. Met haar scherpe helderblauwe ogen achter brillenglazen nam ze elke binnenkomer zorgvuldig op. Er ging een schok door me heen. Vraag me niet hoe maar ik zag direct dat dit een strijdlustige vrouw was zonder geloof, zonder kinderen, zonder behoefte om wie dan ook te behagen maar met een groot hart en een onafhankelijke geest. Precies de figuur waaraan ik toen behoefte had.

'Ik', zei ze met een schalks lachje 'ben Aleida Schot.' Dat beviel me. Een ander zou gezegd hebben: Ik héét Aleida Schot. Kennelijk was zij zich van haar faam als vertaalster uit het Russisch maar al te goed bewust, en terecht . Ze zette uiteen dat ze niet van zins was hoorcolleges te geven, daar ze het nut daarvan totaal niet inzag. Wat ze kon bieden was een taalpracticum dat enerzijds zou bestaan uit het bespreken van allerlei soorten teksten en anderzijds uit het beoordelen van elkaars spreekbeurten en het maken van een opstel. 'Wetenschappelijk', zei ze, 'stelt het niet veel voor maar jullie zult er des te meer profijt van hebben.'

Als theoretische achtergrond voor het practicum raadde ze haar twee stijlbijbels aan. Ten eerste The elements of style van E.B. White (New York,1959) een uitstekend boekje boekje van maar zeventig bladzijden vol nuttige tips zoals: - schrijf op een wijze die natuurlijk overkomt

- leg niet te veel uit
- herzie en herschrijf
- schrijf niet abstract en gebruik zovel mogelijk concrete woorden

Haar tweede stijlbijbel telde nog minder bladzijden, negen om precies te zijn, en heette Achter de schermen (1933). Het was het kostelijke hoofdstuk dat Elsschot aan zijn korte novelle Tsip heeft toegevoegd en waarin hij zich streng buigt over zijn eigen stijlgebruik, nog altijd een aanrader voor elke beginnende schrijver.

Maar eerlijk is eerlijk, Aleida’s practicum maakte beide publicaties overbodig. Wat een toverkol! Elke keer legde ze ons een andere tekst voor. Dat kon een stuk literatuur zijn, een reclamefolder, een gebruiksaanwijzing, een vertaling, of een column uit de krant. Ze maakte daarbij volstrekt geen onderscheid tussen hoog en laag. Wij moesten die teksten dan ontleden en fileren en kijken in hoeverre ze aan hun doel beantwoordden of juist niet. Ze was daarbij niet voor de poes en vond het ontzettend dom als bepaalde onjuistheden niet dadelijk werden opgemerkt. Ondertussen lanceerde ze allerlei grapjes of venijnigheden met name jegens de auteur in kwestie of jegens collega-vertalers die te veel uit hun duim hadden gezogen.

Ik zal hier niet verder over deze lessen uitweiden. Zonder Aleida’s enorme présence zou dat toch maar leiden tot een slap aftreksel. Wel kan ik zeggen dat dit practicum tot het waardevolste behoort van wat ik aan onderwijs heb genoten. Bij alles wat ik schrijf kijkt Aleida nog steeds over mijn schouder mee, elke dag weer. Dat mag toch uniek heten.

Ook in menselijk opzicht was deze vrouw uniek. Het gebeurde een keer dat een medestudent die een spreekbeurt had gehouden door niemand werd gewezen op zijn evident platte en onverschillige dictie. Vermits bij het mondeling taalgebruik de uitspraak toch minstens zo belangrijk is als de spelling bij het schriftelijk, leek me dat onjuist. Ik snapte dan ook niet waarom Aleida dit zomaar had laten passeren en vroeg haar na het college om rekenschap. Ze begon te lachen, slaakte een diepe zucht en zei: 'Ik ben het volkomen met je eens maar we hebben de tijd nu eenmaal tegen. Daar moet je je bij neerleggen.' Ook deze realiteitszin heeft me altijd erg geholpen omdat ik veel aanleg heb voor vechten tegen de bierkaai. Toen er na enkele weken overigens weer een platprater aan het woord kwam, gaf Aleida me stiekem een dikke knipoog.

Een ander voorval: aan het eind van de cursus moesten we een opstel maken dat als schriftelijk tentamen gold. Ik kwam totaal in paniek want ik kan ik geen teksten schrijven op commando en zeker niet met anderen erbij en in slechts twee uur. Ik bakte er dus niets van. Een paar dagen daarna kwam ik Aleida toevallig tegen op de gang van het instituut. En wat gebeurde? Ze hield me staande en zei me dat mijn opstel haar 'vreselijk was tegengevallen'. Ik was meteen in de zevende hemel want beschouwde de impliciete mededeling ervan als een groot compliment. En toen ik uitlegde waardoor ik haar had teleurgesteld, begreep ze het direct en zei: 'We praten er niet meer over. Jij maakt een ander opstel voor me maar nu gewoon thuis. Alleen: mondje dicht.' En zo geschiedde. Ik schreef een verhaal getiteld De Tafelschikking en kreeg een tien.

Tot slot nog een wonderlijke coïncidentie. Op internet ontdekte ik onlangs een levensbericht over Aleida Schot waarin stond dat zij zeer onder de indruk moet zijn geweest van haar lerares Engels op de meisjes-HBS in Amsterdam. Ze is daarom zelfs Engels gaan studeren. Laat deze lerares, Gerarda Lely ( 1879-1950) geheten, nu naaste familie van mij zijn! Ze was namelijk een nichtje van de 'grote' Lely van de Afsluitdijk, die mijn overgrootvader was. Aleida is levenslang met deze vrouw bevriend gebleven. Zo werkt dit familielid dus via haar ook nog in mij door. Jammer dat ze dit nooit geweten heeft. Ik kan wel zeggen dat ik trotser op deze Lely ben dan op de ontwerper van de Afsluitdijk en drooglegger van de Zuiderzee.

Op mijn beurt zou ik er heel wat voor over hebben gehad om bevriend te mogen zijn met Aleida Schot. Het heeft niet zo mogen zijn. Aan het eind van mijn studietijd, in 1968, is ze overleden aan een verwaarloosde griep. Wantrouwig jegens artsen net als ik.

Charlotte Mutsaers

 
Charlotte Mutsaers won met Koetsier Herfst de Libris Literatuurprijs 2009.